Niels z'n Wadloper Bladzijde
Hydrostatische installaties
Hydrostatische installaties DH-treinstellen
BEHR
Opleiding en Vorming
Dit onderdeel bevat de Opleiding en Vorming voor de Hydrostatische installaties
Eventuele inconsistenties zijn als zodanig overgenomen uit dit document.
| Süddeutsche Kühlerfabrik Julius Fr.Behr GmbH&CoKG |
| Mauserstrasse 3 7000 Stuttgart 30 Telefon (0711) 896-1 Telex 72 12 51 |
| VZS 711 |
Hoofdstuk 1 Stuklijst Hydraulisch schema
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 2 | 1 | Koelermotor | | |
| 3 | 1 | Thermostaatklep vol bij 87 C, ingesteld op 250 + 5 bar Themostaatelement | | |
| 4 | 1 | Koelwaterregelklep | | |
| 5 | 1 | Oliewarmtewisselaar | | |
| 6 | 1 | 5/2 klep | | |
| 8 | 1 | Oliereservoir | | |
| 9 | 1 | Verstelbare hydropomp | | |
| 10 | 1 | Hydromotor (compressor) | | |
| 11 | 1 | Hydromotor (generator) | | |
| 14 | 1 | Lekoliefilter | | |
| 17 | 1 | Stuurschuif ingesteld op 150 + 5 bar | | |
| 18 | 1 | 3/2 klep compleet met magneet | | |
| 19 | 1 | Drukbegrenzingsklep afgesteld op 120 + 5 bar | | |
| 20 | 1 | Terugslag-/zuigerklep | | |
| 21 | 1 | Olievulreservoir | | |
| 22 | 1 | Koelerpomp | | |
| 24 | 1 | Hyflex/koppeling | | |
| | Berekende bedrijfsdruk: 202 bar | | |
|
Hoofdstuk 2 Beschrijving Hydraulisch circuit
2.1 De circuits
In de installatie worden in een gecombineerde hydrostatische aandrijving naast de koelerventilatormotor
(II) ook de compressor en generator aangedreven. Zowel voor de generator als voor de compressor zorgt de
verstelbare pomp (2) over het gehele toerentalgebied van de dieselmotor voor een constant aandrijftoerental.
2.1.1 Het circuit voor aandrijving van de koelerventilator
Een direct aan de dieselmotor aangeflenste pomp (6) krijgt hydraulische olie uit het oliereservoir (1) en
perst deze door hogedrukleidingen naar de koelerventilatormotor (II). De toerenregelaar van de koelerventilator
(III) is tussen de hogedruk- en de retourdrukleiding geplaatst. Het thermostaatelement wordt door
het koelwater omgeven en verschuift, afhankelijk van de koelwatertemperatuur, de stuurzuiger van de regelaar.
Wanneer weinig koelcapaciteit nodig is, stroomt het grootste deel van de hogedrukolie via de in de regelaar
ingebouwde kortsluitopening, parallel aan de ventilatormotor, via de koeler terug naar het oliereservoir.
Bij stijgende koelwatertemperatuur verschuift het thermostaatelement de stuurzuiger van de regelaar zodanig,
dat de kortsluitopening kleiner wordt. De hoeveelheid hogedrukolie naar de ventilatormorot neemt dan toe.
Onder invloed van de daarmee verbonden druktoename, gaat de ventilatormotor draaien. Het ventilator toerental
neemt nu voortdurend toe tot een evenwicht in de koeling bereikt is. De in de regelaar ingebouwde overstortklep
beveiligt het circuit tegen te hoge drukken. De in de retourleiding ingebouwde oliewarmtewisselaar
(V) begrenst de olietemperatuur tot ca. 90°C. De koelwaterregelaar (IV) wordt hydrostatisch bediend.
Wanneer de ventilatorregelaar (III) begint te regelen, wordt het 5/2 ventiel (VI) geschakeld door het onstane
drukverschil tussen de hoge- en retourdruk.
2.1.2 Generator en compressorcircuit
Het oliereservoir (1) levert de olie voor de verstelbare pomp (2). Het oliereservoir wordt via een vultank
(14), die aan het raam van de hulpaggregaten is bevestigd, met olie gevuld en ontlucht. Van de olie die door
de verstelbare pomp aan de generator- en compressormotor wordt geleverd, wordt de hoeveelheid constant gehouden.
De toerentallen van de compressor en generator blijven constant en dus opnafhankelijk van het dieselmotortoerental.
Tussen hogedruk en retourdruk van de generatormotor is een drukbegrensingsklep (12) ingebouwd.
Bij het overschrijden van de ingestelde druk (100 bar) laat deze net zo lang olie in de hogedrukleiding
naar de compressormotor wegstromen, tot de toegestane bedrijfsdruk weer bereikt is. De terugslag- en
zuigklep (13) verhindert het doorlopen van de generator. De compressormotor is in serie met de generatormotor
geschakeld. In nevenstroom met de compressormotor is de stuurklep (10) geplaatst. Bij behoefte aan gecomprimeerde
lucht gaat de oliestroom naar de compressormotor t.g.v. de hydraulische inschakeling van de stuurklep.
Het hydraulische in- en uitschakelen van de stuurklep geschiedt via de aangebouwde magneetklep (11), welke
door een drukschakelaar aan het hoofdreservoir bekrachtigd wordt. Bij voldoende voorraad gecomprimeerde
lucht wordt de 3/2 klep geopend (magneet bekrachtigd); de zuiger van de stuurklep opent de kortsluitopening
in de retourleiding en de compressor staat stil.
Hoofdstuk 3 Beschrijving van de koelerventilatormotor/pomp
 |
Axiale zuigereenheden zijn zowel geschikt voor motoren als pompen o.a. voor koelerventilatoren.
Bij de toepassing als pomp is de opbrengst evenredig met het aandrijftoerental. Wordt een eenheid als motor
toegepast dan is het afgegeven toerental evenredig met de toegevoerde oliehoeveelheid.
Het opgenomen (pomp-) resp. afgegeven (motor-) koppel neemt toe met het drukverschil tussen de hoge- en
retourdrukzijde.
Bij de toepassing als pomp wordt mechanische energie omgezet in hydrostatische, omgekeerd vindt bij de
toepassing als motor een omzetting plaats van hydrostatische in mechanische energie.
Alle eenheden met constante slag hebben dezelfde gestandaardiseerde constructie van hoog-vermogen-drijfwerken.
Afbeelding 1 toont de samenstelling met de belangrijkste delen.
Om zowel bij pomp- als motortoepassing optimale resultaten te bereiken, zijn stuur- en aansluitplaten op het
betreffende bedrijf (open-, gesloten-, half gesloten circuit) afgestemd.
3.1 Pomp
Bij het draaien van de aandrijfas wordt de cilinder door zeven - in een cirkel aan de aandrijfflens
scharnierend bevestigde - zuigerkogelstangen in draaiing gebracht (afbeelding 1). De cilinder glijdt daarbij
over de bolvormige stuurplaat, waarin twee niervormige stuuropeningen aangebracht zijn. Bij het draaien
beweegt elk van de zeven zuigers in een cilinderboring van het bovenste-dode-punt (B.D.P.) naar het
onderste-dode-punt (O.D.P.) en omgekeerd waarbij de slaglengte evenredig is met de zwenkhoek. De zuigerbeweging in de
cilinderboring van het onderste-dode-punt tot het bovenste-dode-punt is de zuigslag (afbeelding A).
Daarbij wordt door één van beide stuuropeningen (zuigzijde) een met het zuigeroppervlak van de slag
overeenkomende olievolume in de cilinderboring aangezogen. Bij het verder draaien van de aandrijfas wordt de olie,
tijdens het bewegen van de zuiger van het bovenste-dode-punt naar het onderste-dode-punt, door de andere
stuuropening (drukzijde) weggedrukt. De zuigers drukken daarbij onder invloed van een hydraulische druk tegen
de aandrijfas (afbeelding B). Bij de stuurplaat en de zuigers uittredende lekolie dient zowel voor smering
als voor koeling van de lagers. De lekolie wordt via een aparte boring in het huis naar het reservoir teruggevoerd.
3.2 Motor
De motorfunctie is het omgekeerde van de pompfunctie. In dit geval wordt de hogedrukolie via de aansluitplaat
de door een stuuropening naar de cilinderboringen gevoerd. 3 tot 3,5 cilinderboringen staan in open verbinding
met de niervormige stuuropening (drukzijde). De overige cilinderboringen staan in verbinding met de
andere stuuropening (retourdrukzijde) of zijn door de stuurplaat gedeeltelijk afgesloten. Door de, uit de
druk en het zuigeroppervlak afgeleide kracht, welke aldus (afbeelding C) aan de aandrijfas aangrijpt,
ontstaat het te leveren koppel.
In beide gevallen, pomp- zowel als motorbedrijf ontstaat t.g.v. de schuine bouwwijze het koppel direct aan
de aandrijfas.
De zuigers belasten de cilinder slechts met zeer kleine dwarskrachten, wat voor de slijtage, rendement en
aanloopkoppel gunstig is. Door de bolvormige stuurplaat wordt een momentvrije lagering van de cilinder bereikt,
omdat alle op de cilinder aangrijpende krachten door één punt gaan (afbeelding D).
Dwarskrachten worden door de centreerpen opgenomen. Zijwaartse verschuivingen t.g.v. elastische vervormingen
geven tussen de cilinder en de stuurplaat geen verhoogde lekverliezen.
Hoofdstuk 4 Beschrijving dubbelpomp
De dubbelpomp bestaat uit twee evenwijdig geplaatste axiale zuigerdrijfwerken (1) als zwenktrommels
uitgevoerd, die in een gemeenschappelijk huis (2) met een vaste (zwenk)hoek van 25° ondergebracht zijn.
De drijfwerken hebben robuuste lagers, gerolde zuigerkogelstangen (3) en sferische stuurschijven (4).
De mechanische aandrijving vindt plaats via een, in de dubbelpomp ingebouwde distributietandwieloverbrenging (5),
met keuze twee overbrengingsverhoudingen. De twee even grote hogedrukoliestromen, zijn evenredig met het
aandrijftoerental. De dubbelpomp kan in een willekeurige positie ingebouwd worden.
Hoofdstuk 4 Beschrijving van de verstelbare motor/pomp
4.1 Beschrijving
- De axiale zuigereenheid met variabele slagvolume wordt zowel als verstelmotor/-pomp toegepast.
Daarbij wordt hydrostatische energie in mechanische omgezet.
- Bij de toepassing als pomp is de pompopbrengst evenredig met het aandrijftoerental en het slagvolume.
Bij de toepassing als motor is het afgegeven toerental evenredig met de opgenomen hoeveelheid olie,
die, door verandering van de zwenkhoek door de verstelinrichting, traploos en smoringsvrij gewijzigd
kan worden. De max. zwenkhoek bedraagt 25°, de min. zwenkhoek 7°.
- Het geleverde koppel is evenredig met de zwenkhoek en met het drukverschil tussen hogedruk- en
retourdrukzijde.
- Alle verstelmotoren/-pompen hebben dezelfde gestandaardiseerde constructie van hoog-vermogen-drijfwerken
die in grootte verschillen. Afbeeldinmg 1 toont de samenstelling met de belangrijkste delen.
- Het bouwdoosprincipe maakt het mogelijk verschillende verstelorganen aan de Trimot-basiseenheid bestaande
uit een huis met drijfwerk aan te bouwen.
4.2 Functie
Het drijfwerk met drijfas en lagers is vast in het huis gemonteerd, terwijl de cilinder met zuigers de
centreerpen en de stuurplaat met verstelpen, versteld kunnen worden. De lagers nemen de, in axiale en radiale
richting optredende krachten op. Het drijfwerk wordt naar buiten afgedicht door een deksel met een radiaal
africhting en O-ring. Door de borgring voor het deksel wordt tevens het drijfwerk in het huis gefixeerd. Via
de boring in de afsluitplaat en een niervormige opening in de stuurplaat wordt hogedrukolie aan de cilinderboringen
toegevoerd (afbeelding 2). Ca. 3 - 3,5 cilinderboringen staan in verbinding met de niervormige stuuropening
(hogedrukzijde). De overige cilinderberingen staan in verbinding met de andere stuuropening (retourdrukzijde)
of zijkn door de stuurplaat gedeeltelijk afgesloten.
 |
| Afbeelding 2 |
Door de kracht, ontstaan door de druk op het zuigervlak, die volgens afbeelding 3 op de aandrijfas werkt,
ontstaat het aandrijfkoppel. De cilinder en de aandrijfas worden door zeven in een beweeglijke cirkel
aan de aandrijfflens scharnierend bevestigde zuigerkogelstangen in draaiing gebracht.
De cilinder glijdt daarbij over de bolvormige vaste stuurplaat die de afsluitplaat door een geleidebaan in
haar positie gecentreerd is. Daarbij beweegt ieder van de zeven zuigers in de cilinderboringen van het
onderste - naar het bovenste dode punt en omgekeerd. Iedere zuiger heeft daarbij een van de hoekverdraaiing
afhankelijke slag.
 |
| Afbeelding 3 |
De zuigerbeweging in de cilinderboring van het onderste dode punt naar het bovenste dode punt geeft de
drukstijging. Daarbij wordt door een van de beide stuuropeningen (drukzijde) het met het zuigeroppervlak en de
slag overeenkomende olievolume aangevoerd. Bij het verder draaien van de cilinder door de aandrijfas wordt
tijdens de slag van een zuiger van het bovenste naar het onderste dode punt de olie door de andere stuuropening
(retourzijde) naar buiten geperst. De oliestroom gaat door de stuuropening van de stuurplaat naar
de afsluitplaat en via de tweede aansluitboring of (bij gesloten en halfgesloten circuits) naar de pomp of bij
open circuit naar het oliereservoir.
De regeling van het aandrijfdeel van de hydromotor gebeurt met een verstelpen die met de regelinrichting
vast verbonden is en aan de achterzijde van de bolvormige stuurplaat aangrijpt. Tijdens het verstellen
beweegt de stuurplaat op een in de afsluitplaat aanwezige cirkelvormige geleidebaan met oliedoorvoeropeningen.
Door de schuine bouwwijze van de hydrostatische motor ontstaat het draaimoment direct aan de aandrijfas
waarop de zuigers, door hydrostatische druk belast een kracht uitoefenen. De zuigers belasten de cilinders
slechts met zeer kleine dwarskrachten wat voor slijtage, rendement en aanloopkoppel gunstig is. Door de
bolvormige stuurplaat wordt een momentvrije lagering van de cilinder bereikt, omdat alle op de cilinder
aangrijpende krachten door één punt gaan. Dwarskrachten worden door de centreerpen opgenomen.
Zijwaartse verschuiving t.g.v. elastische vervormingen geven tussen cilinder en stuurplaat geen verhoogde lekverliezen.
 |
Hydrostatisch zwaartepunt van lagerdrukgebied
FK = zuigerkracht
FZ = kracht van het hydrostatisch drukgebied van de cilinder
FM = resulterende kracth op de centreerpen
Afbeelding 4 |
In leegloop en tijdens het aanlopen wordt de cilinder door de aan de centreerpen gebouwde schotelveer op de
stuurplaat gedrukt, Bij drukverhoging is de cilinder door hydraulische krachten zo uitgebalanceerd, dat ook
bij hoge belastingen tussen cilinderstuurvlak en stuurplaat de oliefilm voortdurend gehandhaafd blijft en het
lekolieverlies binnen zeer nauwe grenzen gehouden wordt. Inwendige lekolie wordt weer voor de smering
van alle bewegende drijfwerkdelen gebruikt. De kogelkoppen van de zuigerstangen en de centreerpen worden
via langsboringen in de centreerpen en in de aandrijfas, gesmeerd.
Hoofdstuk 5 Functiebeschrijving oliereservoir
Het oliereservoir voorziet in het hydrostatische systeem onder alle bedrijfsomstandigheden van olie.
In het oliereservoir wordt de olie gefilterd, voordat deze opnieuw naar de koelerpomp stroomt. De injector
in het oliereservoir leidt de lekolie weer naar het circuit en veroorzaakt een geringe overdruk in de
zuigleiding, zodat de koelerpomp steeds voldoende olie ontvangt. Daardoor wordt schade t.g.v. cavitatie vermeden.
De luchtruimte boven het olie-oppervlak laat een wisselend olievolume toe, bijvoorbeeld wanneer de olie
gedurende het bedrijf van de installatie warm wordt en uitzet. Via het oliereservoir wordt het hele
hydrostatisch systeem ontlucht.
5.1 Bouw en werkwijze
In het bovenste deel van het oliereservoir is de filterkamer (1) ingebouwd; deze is met de retourleiding
verbonden en bevat het filter (2). Daaronder zit de injector (3); deze is aan de onderzijde van het
oliereservoir aan de zuigleiding van de koelerpomp verbonden. Aan de zijkant van de koelerunit bevindt zich het
vulreservoir met aanduiding van het max. en min. niveau en waarop de oliestand af te lezen is. Eveneens is aan
het vulreservoir een beluchtingsfilter gemonteerd. De filterkamer en het reservoir zelf kunnen via
openingen in de bodem afgetapt worden. Het oliereservoir is dichtbij de hydropomp gesitueerd. De uit het systeem
afkomstige retourolie komt in de filterkamer en vloeit door het zeeffilter. De uitgfilterde staal- en vuildelen
zakken naar de bodem van de filterkamer vanwaar ze verwijderd kunnen worden. De schone olie stroomt naar
de injector. Daarin wordty de snelheid verhoogd en de olie met geringe overdruk naar de hydropomp geleid.
Daarbij wordt olie uit het reservoir door de injector spleet aangezogen: op deze wijze keert de lekolie weer
in het circuit terug. Door de injectorspleet kan tevens de lucht uit de leidingen in het oliereservoir
ontwijken, b.v. wanneer de nieuw gevulde installatie voor de eerste keer start.
Hoofdstuk 6 Beschrijving thermostaatklep
6.1 Bouw en werkwijze
De Behr thermostaatkleppen bestaan uit de volgende hoofddelen: thermostaathuis, stuurzuiger, tegendrukveer,
thermostaatelement, handbediening en overdrukklep.
De thermostaatklep is op de koelwatertoevoerleiding aangesloten. Het thermostaatelement van de thermostaatklep
wordt door koelwater omspoelt en verschuift afhankelijk van de koelwatertemperatuur de stuurzuiger van de
regelaar. De stuurzuiger verandert de doorgang van de kortsluitopening tussen hogedruk- en retourolieleiding.
Bij stijgende koelwatertemperatuur wordt de kortsluitopening door de stuurzuiger steeds meer gesloten.
De daarmee gepaard gaande drukverhoging veroorzaakt een toenamen van de, aan de ventilatormotor toegevoerde
hoeveelheid drukolie en bijgevolg een toerentalverhoging van de ventilator. Door de verhoging van het
ventilatortoerental neemt de door het koelerblok gezogen luchthoeveelheid toe, wardoor een grotere
hoeveelheid warmte aan de buitenlucht kan worden afgegeven. Daardoor daalt de koelwatertemperatuur, de
vulstof in het thermostaatelement krimpt, de stuurzuiger wordt door de tegendrukveer naar boven gedrukt
en vergroot de kortsluitopening weer. Als gevolg van het groter worden van de kortsluitopening kan steeds
meer olie naar het oliereservoir terugstromen, hetgeen een vermindering van de aan de ventilatormotor
toegevoerde hoeveelheid drukolie en daardoor ook van de hogedruk, tot gevolg heeft. De ventilator draait weer
met een lager toerental. Op deze manier wordt traploos een nagenoeg gelijkblijvende koelwatertemperatuur
verkregen. Op het type-plaatje van de thermostaatklep is de koelwatertemperatuur, waarbij de ventilatormotor
met maximum toerental draait, aangegeven. De in de thermostaatklep ingebouwde drukbegrenzingsklep
opent bij het overschrijden van de ingestelde druk en laat net zo lang olie in de retourleiding stromen tot
de toelaatbare bedrijfsdruk weer bereikt is. De klep is hydraulisch gedempt en laat dardoor in geen enkele
bedrijfstoestand trillingen in het hydrauliek systeem optreden.
6.2 Handbediening voor noodbedrijf
Wanneer een thermostaatelement defect is, ontstaat een te hoge temperatuur in het koelwatercircuit. Ten einde
in zo'n noodtoestand de rit voort te kunnen zetten, kan de stuurzuiger met de hand bediend worden, met behulp
van een vierkantsleutel wordt de veerschotel (die de stuurzuiger meeneemt) linksom gedraaid tot de aanslag
bereikt is. Daardoor wordt de kortsluitingopening gesloten en de ventilatormotor draait weer met maximum
toerental. LET OP! De handregeling mag alleen als noodhulp worden beschouwd en geeft geen automatische
regeling van het koelerventilatortoerental, die overeenkomt met de behoefte aan koeling (zie ook verwisselen van
thermostaatelement).
Hoofdstuk 7 Beschrijving stuurschuif met drukbegrenzingsklep
De stuurschuif is het centrale stuurorgaan van het hydraulische circuit voor de compressoraandijving. Deze
klep is parallel (in kortsluiting) aan de compressormotor geschakeld. Afhankelijk van de luchtbehoefte
opent of sluit de stuurschuif de kortsluitverbinding. Verder verlaagt de stuurschuif via zijn ingebouwde
drukbegrenzingsklep de drukgolven door kortstondig openen van de kortsluitopening.
7.1 Bouw en werkwijze
Bij luchtbehoefte opent de drukschakelaar in het hoofdreservoir de stroomkring van de elektro-magnetisch
bediende 3/2 klep. De 3/2 klep schakelt op schakelstand 1. De retourdruk werkt op de verstelzuiger 7 en verschuift
deze tegen de veerkracht van de veer 8 tot de aanslag. De aanslag aan de verplaatsingszuiger 7 is d.m.v. de
zuigerbodem 26 zo ingesteld, dat de veer 8 in de aanslagpositie van de verplaatsingszuiger 7 zo ver voorgespannen
is, dat de klepkegel 9 de maximale hoge druk kan houden. Door het sluiten van de doorlaat van kegelklep 9
daalt het drukverschil over de smoring 22; de drukveer 16 schuift de stuurschuif in gesloten positie;
de compressormotor begint te draaien en bereikt bij gesloten kortsluitopening zijn maximum toerental.
Ontstaan er bij het (aan)lopen van de compressor drukpieken, dan opent klepkegel 9 zicht, zodra de openingsdruk
(maximaal ingestelde hoge druk) wordt bereikt. Hogedrukolie stroomt dan als lekolie weg. Daardoor ontstaat
een drukval over de smoring 22, de stuurschuif 19 opent en maakt de kortsluitopening vrij.
Hogedrukolie stroomt naar de retourleiding totdat de drukpiek is verdwenen.
Wanneer het drukniveau in het hoofdreservoir wordt bereikt, sluit de drukschakelaar van het hoofdreservoir
de stroomkring voor de elektro-magnetisch bediende 3/2 klep. De 3/2 klep schakelt naar schakelpositie 2. Door
de verbinding van de retourdrukzijde met lekoliezijde die dan ontstaat wordt de verplaatsingszuiger 7 d.m.v. de
veer 8 in de uitgangspositie gebracht; tegelijkertijd wordt klepkegel 9 gelicht. Hogedrukolie stroomt dan via
klepkegel 9 naar de lekolie. Daardoor ontstaat een drukval over smoring 22, de stuurschuif opent en maakt de
kortsluitopening vrij voor de hoeveelheid olie. De compressor staat stil.
7.2 Functie
Wanneer het koelwater zijn bedrijfstemperatuur bereikt heeft zijn de stuuropeningen in de thermostaatklep en in
de stuurschuif gesloten, neemt nu het toerental van de koelerpomp toe, of wordt de dieselmotor opnieuw gestart,
dan stijgt de hogedruk - ten gevolge van de massa traagheid van de ventilator en van de draaiende delen
in de koelermotor - boven in "stabiel" bedrijf normale waarde (de koelermotor loopt "stabiel" wanneer een
koelend evenwicht bereikt is en de hogedrukolie (relatief) constant blijft). Deze waarde kan b.v. tijdens
het starten tot het 1.3-voudige van de maximale druk oplopen, wanneer de overdrukklep constant ingesteld is.
Om het hydraulische systeem voor deze schadelijke drukpieken te beveiligen is in de stuurklep een toerental
gestuurde drukbegrenzingsklep ingebouwd. Deze is zo geconstrueerd dat de op dat moment benodigde hoge druk
voor het stabiele koelerbedrijf ten hoogste met 10 tot 15% overschreden kan worden.
7.3 Bouw en werkwijze
De drukbegrenzingsklep is in de stuurschuif ingebouwd en bestaat uit: verstelzuiger 7, stelmoer 26, kegelklep 9
en de veren 8 en 10. Deze delen vormen tevens de retourdrukzuiger. De retourdruk stelt via de veer 8
een druk in, welke nodig is om de kegelklep te openen. Over de smoring 22 en 14 bereikt de hoge druk de ketelklep 9.
Tussen klepzitting en retourdrukzuiger bestaat een constante drukverhouding; de openingsdruk voor de
kegelklep komt overeen met het product van de drukverhouding en de op dat ogenblik heersende retourdruk.
De veren 8 en 16 zijn zo gekozen, dat de openingsdruk steed 10 tot 15% hoger ligt dan de hoge druk, welke
steeds voor het gevraagde koelvermogen van de koelerventilator nodig is. Treedt nu de boven aangenomen
situatie, d.w.z. de hoge druk neemt plotseling toe, dan opent de kegelklep 9, zodra de openingsdruk bereikt
wordt. Hogedrukolie stroomt dan als lekolie weg. Daardoor ontstaat een drukval over de smoring 22. De
stuurschuif opent en geeft de kortsluitopening vrij. Hogedrukolie stroomt in de retourleiding totdat de
werkdruk afgebouwd is.
 |
Hoofdstuk 9 Beschrijving drukbegrenzingsklep
9.1 Functie
De drukbegrenzingsklep begrenst de in de installatie heersende oliedruk op een bepaalde maximale waarde
(overbelastingsbeveiliging). Stuurolie kan zowel extern als intern afgevoerd worden. De klep kan ook toegepast
worden als ontlastingsklep of als volgklep resp. als zelfsturende schakelklep.
9.2 Werking
De hogedrukolie kan via aansluiting A, de radiaalboringen in het klephuis (1) en een ringvormige opening
tussen de dempingzuiger (14) en zijn geleideboring het kopvlak van de dempingszuiger bereiken. Deze opent
bij het bereiken van de openingsdruk, de regelklep (4) tegen de veerdruk van de veer (5), zodat de olie
aansluiting B kan bereiken. Het pendelen van de klep bij pulserende belasting wordt door de smorende werking van
de ringspleet tussen de dempingszuiger en de boring voorkomen. Afhankelijk van de uitvoering is de veer-
en daarmee de bedrijfsdruk instelbaar.
Hoofdstuk 10 Stalen leidingen
10.1 Materiaal
De olieleidingen zijn uit naadloze getrokken precisie pijp vervaardigd uit ST 35.5 MBK volgens DIN 2391.
Bij het bestellen van de pijpen van dit materiaal moet vereist worden dat zij zowel in- als uitwending glad
getrokken zijn, vrij van hamerslag, blank gegloeid en slakvrij zijn. Tevens dient daarbijh opgemerkt te worden dat
koud vervormen/buigen in hoge mate mogelijk moet zijn.
De pijpen mogen geen slak en andere ongerechtigheden bevatten. In het bijzonder moet bij montage en
demontage van de pijpen en slangen erop gelet worden dat geen vuil in het oliecircuit kan komen. In ieder geval
is het raadzaam de pijpen op slak, zand en ander verontreinigingen te controleren.
10.2 Verwerking
Verbindingen van pijpen tot en met een buitendiameter van 18 mm moeten hard gesoldeerd en vanf 22 mm
elektrisch gelast worden. Voor het hardsolderen van de wartelverbindingen op de pijpen wordt aanbevolen
"de-gussa"-soldeer 4003 of 4505 te gebruiken met het vloeimiddel "de-gussa" H bij
een werktemperatuur van 620°C. Zorgvuldig naleven van de voorschriften t.a.v. het
hardsolderen is onontbeerlijk. Na het solderen moeten van de soldeerplaatsen de resten van het vloeimiddel
met warme sodaloog verwijderd worden. Bij het lassen van de wartelverbindingen aan de pijpen moeten de
voorschriften volgens DIN 1912 aangehouden worden. Na het lassen moeten de hamerslag- en slakresten zorgvuldig
verwijderd worden. Na iederen warmtebehandling moeten de leidingen gebeitst (beits op fosforzuurbasis b.v.
Chemalyt) en aansluitend geneutraliseerd worden. Tenslotte moeten de leidingen in- en uitwendig met een
roestwerend middel behandeld worden. Worden de leidingen geschilderd dan kan volstaan worden met alleen het
inwendige met een roestwerend middel te behandelen. Worden de leidingen met zand gevuld gebogen, dan moet
er streng op toegezien worden dat de plaats van de bocht slechts donkerrood verwarmd wordt.
10.3 Installeren
Bij het installeren van lange leidingen wordt het aanbrengen van expansiebochten sterk aanbevolen. Deze
expansiebochten verminderen ook de spanningen t.g.v. afwijkingen. Bij het koppelen van de leidingen onderling
of aan aggregaten moet op spanningsvrije montage gelet worden.
Hoofdstuk 11 Slangen
11.1 Kwaliteit
De producten van alle bekende fabrikanten van slangen kunnen worden toegepast, gelet moet worden op de
aanduiding op de slangen: hogedrukslangen zoals hier uitsluitend toegepast zijn met "MH"'aangeduid.
11.2 Toepassing
Bij de toepassing van de slangen moet gelet worden op eenvoudige in- en uitbouw en dat voortdurende controle
mogelijk is. Slangen mogen niet sterk worden gebogen, d.w.z. de slang mag niet knikken, omdat dan een vernauwing
van het doorstromingsoppervlak en dus een grotere stromingsweerstand zal optreden. Voor zover kleinere stralen
noodzakelijk zijn, moeten handelsbochtstukken, pijpbochten of stoortgelijke hulpmaterialen worden toegepast.
11.3 Lengte-verandering
Onder inwerking van de bedrijfsdruk ondergaan slangen een lengte-verandering waarop bij de toepassing gelet
moet worden, zodat alle slangen met een doorbuiging gemonteerd moeten worden, onder alle omstandigheden
moet vermeden worden dat de slang strak wordt ingebouwd.
11.4 Verdraaiing
Axiale verdraaiing (torsie) moet bij montage absoluut worden vermeden.
11.5 Beschadigingen
Beschadigingen aan de buitenzijde door mechanische inwerking moeten vermeden worden. In bijzondere gevallen
moeten slangen door extra beugels worden beschermd. Ook toepassing van omwindsels als bescherming tegen
schuren kan doelmatig zijn.
11.6 Buigstralen
De aangegeven kleinste buigstralen dienen als minimum waarden te worden beschouwd:
Nominale Diameter | 4 | 6 | 8 | 10 | 13 | 16 | 20 | 25 | 32 | 40 |
| Rmin (mm) | 100 | 100 | 100 | 100 | 125 | 125 | 305 | 345 | 455 | 560 |
11.7 Vervanging
De op natuurlijke wijze verouderde of ten gevolge van extreem zware bedrijfsomstandigheden voortijdig
verouderde slangen moeten tijdig door nieuwe vervangen worden.
Onder alle omstandigheden is het aan te bevelen na verloop van twee jaar de slangen te vernieuwen.
Hoofdstuk 12 Wartelverbindingen
Voor de verbindingen van stalen leidingen worden de volgende delen toegepast:
- Wartelstuk
- Afdrichtkegel
- Wartelmoer
- Soldeernaad
De soldeernaad moet volgens DIN 8505 en DIN 1734, de lasnaad volgens DIN 1912 VIII en DIN 1913 zijn uitgevoerd.
Na het solderen of lassen moet op zorgvuldig reiningen van alle leidingen en warteldelen gelet worden.
Hoofdstuk 13 SAE-Flensverbindingen
Hydrauliekslangen en stalen leidingen met grote doorlaat worden zowel onderling als met hydraulische
componenten door SAE-Flenzen verbonden.
Na het lassen van stalen pijpen en verbindingsdelen is een goede reiniging (spoelen) vereist.
Hoofdstuk 14 Werking en onderhoud van de hydrostatische installatie
14.1 Aanbeveling voor de olie
Ten einde een zo lang mogelijke standtijd te verkrijgen van de hydrostatische aandrijving, wordt aanbevolen,
olie volgens de volgende classificatie te kiezen:
| Bij het bedrijf in landen met | Olieviscositeit bij 50°C |
| Noordelijk klimaat | 3,5°E tot 5,5°E |
| Gematigd en Tropisch klimaat | 4,8°E tot 12°E |
Met in acht name van de bovengenoemde viscositeitsbereiken kunnen HD-motoroliën van de classificatie SAE 20-40 worden toegepast.
Goede dieselmotoroliën van bekende oliemaatschappijen verdienen de voorkeur eveneens kunnen multigrade oliën
van bekende merken inm de klasse SAE 10W30 aanbevolen worden, waarmee zeer goede bedrijfsresultaten zij bereikt.
Ert moet op gelet worden dat de viscositeitsindex ten minste 100 bedraagt. In geen geval mag een olie worden
toegepast, waarvan de viscositeit bij maximum bedrijfstemperatuur van de installatie, lager is dan 2,3°E of 15 cSt.
In het algemeen kan ook de gebruikelijke motorsmeerlolie worden toegepast.
14.2 Oliepeil
Vóór de inbedrijfstelling van de hydrostatische installatie moet het oliereservoir tot de bovenste
merkstreep op het peilglas met olie worden gevuld. Aangezien echter het oliecircuit van de ventilatoraandrijving
alleen met draaiende ventilatormotor gevuld kan worden, moet na het aanlopen van de ventilator (inschakelen met
de handverstelling van de thermostaatklep) het oliepeil in het reservoir nogmaals worden gecontroleerd; bij juist
vullen moet dan het olieniveau tussen de beide merkstrepen op het peilglas liggen.
Eventueel moet olie bijgevuld worden.
14.3 Oliefilter onderzoek
De in het oliereservoir ingebouwd filterelement moet na de eerste inbedrijfstelling, later ongeveer elke 3
maanden, onderzocht en indien nodig, gereinigd resp. vernieuwd worden.
14.4 Olieverwisseling
Eenmaal per jaar met tegelijkertijd reinigen van de filterelementen.
14.5 Controle op lekkage
Bij de eerste inbedrijfstelling van een hydrostatisch systeem moeten alle aansluitdelen aan de afzonderlijke
aggregaten en de verbindingen van slangen en pijpen op lekkage worden gecontroleerd.
14.6 Meten van de lekolie hoeveelheid
Ten einde slijtage verschijnselen bij zuigers en cilinders van ingebouwde axiaal zuigereenheden snel te
kunnen beoordelen, meet men de uitstromende hoeveelheid olie aan de lekolie-aansluiting. Daartoe belast
men de draaiende installatie zodanig, dat in het hogedrukdeel een druk heerst van ca. 100 Bar
maakt de lekolie-aansluiting aan het huis los en vangt de drukloos uitstromende lekolie op in een maatglas.
| Axiaal zuigereenheid |
Testtoerental Toeren/min. |
Toelaatbare hoevelheid lekolie (L/min) voor eenheden |
| Nieuw |
Gebruikt |
| 40.011.80.210 | 1500 | 0,35 | 1,0 |
40.124.50.311 zwenkhoek 20° | 1500 | 1,48 | 4,5 |
| 40.502.80.210 | 1500 | 0,67 | 2,0 |
| 40.512.80.210 | 1500 | 0,67 | 2,0 |
| 40.001.80.220 | 1500 | 0,35 | 1,0 |
Wanneer deze waarden bij benadering worden bereikt of zelfs worden overschreden, dan moet de betreffende
eenheid worden gereviseerd. De opgegeven waarden gelden voor oliën met een viscositeit van 41.10-6 m2/sec 41 cSt
bij 50°C. Afhankelijk van de soort toegepaste olie in de installatie moet de temperatuur overeenkomstig de
aangegeven viscositeit worden gecorrigeerd.
Aangezien, afhankelijk van de inbouwpositie, bij geopende lekolie-aansluiting de lagers van de axiaal
zuigereenheden tijdelijk zonder olietoevoer kunnen zijn, moet deze meting steeds slechts in korte tijd worden
uitgevoerd. Deze meting moet na een looptijd van 100.000 to 120.000 km uitgevoerd worden.
14.7 Uitwisseling van het thermostaatelement van de thermostaatklep
Na ca. 2 jaar bedrijf is het aan te bevelen het thermostaatelement te vernieuwen.
- Alle hydraulische aansluitingen van de thermostaatklep loskoppelen.
- Bevestigingsschroeven losdraaien en de thermostaatklep uit de koelwaterleiding verwijderen.
- Afstand "a" meten.
- Thermostaatelement uitschroeven.
- Nieuw thermostaatelement inschroeven tot maat "a" bereikt is. Thermostaatklep weer inbouwen.
Daarbij dienen vanzelfsprekend nieuwe O-ringen geplaatst te worden!
14.8 Opslag van hydrostatische eenheden
Bij de opslag van losse eenheden van het hydrostatische circuit moet rekening gehouden worden met de volgende punten:
- De openingen aan pompen, motoren, regelapparatuur etc. moeen zorgvuldig worden afgeslotgen.
- De eenheden moeten, indien mogelijk verpakt, in een droge ruimte opgeslagen worden.
- Blanke metalen delen, zoals bijvoorbeeld assen, moeten ingevet worden.
Delen, die door de fabrikant verstuurd worden, zijn reeds ter conservering met een anti-corrosie emulsie
(15 %) doorgespoeld.
14.9 Het met de hand verstellen van de thermostaatklep op noodbedrijf
ATTENTIE: Als er een thermostaatelement uitvalt stijgt de koelwatertemperatuur boven de toelaatbare waarde.
Als dergelijke verhoogde temperaturen opgemerkt worden, kan de bedrijfsvaardigheid van het thermostaatelement
beproefd worden, door de handverstelling van de thermostaatklep met een vierkant sleutel linksom uit te schroeven.
Als nu het koelend vermogen stijgt is het thermostaatelement defect. Opdat in een dergelijk noodgeval de rit
voortgezet kan worden moet de veerschotel - die de stuurzuiger meeneemt - tot de aanslag linksom uitgedraaid
worden. Daardoor wordt de kortsluitopening in de koelerthermostaat gesloten en loopt de koelerventilatormotor
met het hoogste maximale toerental.
Deze handleiding is alléén vóór noodsituaties!
Hoofdstuk 15 Werking en onderhoud van de koelerinstallatie
15.1 Algemeen
In de koelerinstallatie wordt het koelwater van de dieselmotor gekoeld. Het koelend vermogen vermindert
ten gevolge van de uit- en inwendige vervuiling van de installatie resp. van de koelerelementen. De uitwendige
vervuiling is sterk afhankelijk van de omgevingslucht en er kan niet aangegeven worden, hoe vaak resp. met
welke periodiciteit gereinigd moet worden. De inwendige vervuiling hangt samen met de kwaliteit van het koelwater.
15.2 Koelwater
Om de componenten zoveel mogelijk te beschermen tegen de gevolgen van cavitatie en corrosie moeten aan de
kwaliteit van het koelwater bepaalde eisen gesteld worden. Als koelwater moet zoveel mogelijk schoon
leidingwater gebruikt worden. De hardheid van het water is van beslissende invloed op het koelwatercircuit.
Voornamelijk door het zoutgehalte in te hard water wordt de corrosie-vorming bevorderd. Te zacht
water neemt zuurstof en koolzuur op en werkt daardoor eveneens corrosief. Het koelwater moet een totale
hardheid hebben van 2 to 15° dH (carbonaat- en niet-carbonaathardheid), waarvan ten hoogste 8° NkH.
In principe dient slechts behandeld water toegepast te worden. De door de dieselmotorfabrikant verstrekte
voorschriften voor het behandelen van koelwate dienen nauwkeurig aangehouden te worden. Periodiek moet de
kwaliteit van het koelwater onderzocht worden.
15.3 Uitwendige reiniging
De koellucht bevat - afhankelijk van de bedrijfsomgeving - meer of minder stof, bladeren en dergelijke,
die de koelers in de loop van de tijd verstoppen en daardoor de koelende capaciteit van de installatie
vermindert. Deze vervuiling kan bij een ingebouwde koelerinstallatie verwijderd worden door:
- Het met perslucht tegen de luchtstroomrichting uitblazen van de koeler. Daarbij moet erop gelet
worden dat de persluchtstraal parallel aan de koelribben gericht wordt, omdat bij schuin uitblazen,
de ribben eventueel vervormen en daardoor de vrije luchtdoorgang verminderen.
- Het met een stoomstraal uitblazen van de koelers die een vettige of olie-achtige vuilkorst hebben.
Hierbij dient men net zo voorzichtig te werk gaan als hierboven beschreven is.
15.4 Inwendige reiniging van de koelerblokken
De koelerblokken reinigt men vanuit de waterzijde op de volgende wijze:
- Heeft zich geen ketelsteen afgezet, dan spoelt men de koelerblokken met een hete alkalische oplossing
(b.v. P3 of 3½% etsnator oplossing), grondig naspoelen met schoon water en de koelerblokken drogen
bij een temperatuur lager dan 100°C om corrosie te vermijden.
- Wanneer zich ketelsteen heeft afgezet, moet na de behandeling met hete alkalische oplossing, nog
gespoeld worden met een bekend ketelsteen oplosmiddel. Daarna weer grondig spoelen met schoon water en
drogen bij een temperatuur lager dan 100°C.
15.5 Opslaan van koelers
Worden koelers of koelerelementen opgeslagen dan moeten deze eerst met een 15% roestwerende emulsie inwendig
doorgespoeld worden, zodat gedurende de opslag geen roest gevormd kan worden. Om het indringen van vuil en
vocht te voorkomen moeten de openingen van de koelers, zonder meer afgesloten worden (rubber en houtproppen).
Om de koelerblokken tijdens de opslag voor mechanische beschadigingen (stoten e.d.) te beschermen moeten de
lamellenpijpen met board e.d. afgedekt worden.
15.6 Reparaties aan koelerblokken
Omdat de koelerelementen uit dunne pijpen en platen bestaan mogen de reparaties alleen door vaklieden
uitgevoerd worden. Bij lekkages moet het lek nauwkeurig vastgesteld worden omdat lekkages vaak bij flenzen en
moffen optreden waardoor deze onder bepaalde omstandigheden ten onrechte als een lekkage van een koelerelement
aangemerkt worden. Blijkt er inderdaad een lek in het koelerelement te zijn dan moet het element zowel aan
de water- als aan de luchtzijde gereinigd worden, omdat alleen goed gesoldeerd kan worden als het metaal
op de te solderen plaats schoon is. Voor het solderen wordt zachtsoldeer (L-Pb Sn 40) en vloeimiddel
(soldeerwater) gebruikt.
16.1 Stuklijst hydro motor voor koelerventilator
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Drijfwerk | | |
| 2 | 1 | Pomp/motorhuis | | |
| 3 | 1 | Aansluitplaat | | |
| 4 | 1 | "O" ring | | |
| 5 | 6 | Bevestigingsbout | | |
| 6 | 6 | Veerring | | |
|
16.2 Stuklijst hydro/pomp voor koelerinstallatie
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Aandrijfas | | |
| 2 | 1 | Afsluitdeksel | | |
| 11 | 1 | Spie | | |
| 12 | 1 | Seeger ring | | |
| 13 | 1 | Eenrijig groefkogellager | | |
| 14 | 2 | Eenrijig hoekcontactlager (tandemopstelling) | | |
| 15 | 2 | Opvulring | | |
| 16 | 1 | Opvulring | | |
| 17 | 1 | Steunring | | |
| 18 | 1 | Borgring | | |
| 19 | 1 | "O" ring | | |
| 20 | 1 | Asafdichtring (Simmering) | | |
| 25 | 1 | Cilinder | | |
|
16.3 Stuklijst hydro motor voor koelerventilator
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Cilinder | | |
| 2 | 1 | Stuurplaat | | |
| 3 | 1 | Centreertap | | |
| 4 | 7 | Zuiger met kogelstang | | |
| 6 | 1 | Drukveer achter centreertap | | |
| 7 | 1 | Cilindrische pen | | |
| 8 | 1 | Vulring | | |
| 9 | 1 | Slagplaat | | |
| 12 | 1 | Lenskopbout | | |
|
16.4 Stuklijst thermostaatklep
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | "O" ring | | |
| 2 | 1 | Aansluitstuk voor waskopthermostaat | | |
| 3 | 1 | Bevestigingsflens | | |
| 4 | 1 | "O" ring | | |
| 5 | 1 | Veerbus | | |
| 6 | 1 | Waskopelement | | |
| 7 | 4 | Bevestigingsbout cilinder deksel | | |
| 8 | 4 | Veerring | | |
| 9 | 1 | "O" ring | | |
| 10 | 1 | Thermostaatstift | | |
| 11 | 1 | Stuurzuiger | | |
| 12 | 1 | Seegerring | | |
| 13 | 1 | Veerschotel | | |
| 14 | 1 | Borgring | | |
| 15 | 1 | "O" ring | | |
| 16 | 1 | Begrenzingsschijf | | |
| 17 | 2 | Bevestigingsbout (verzonken kop) | | |
| 18 | 1 | Verstelhuls (handbediening) | | |
| 19 | 1 | Drukveer | | |
| 20 | 1 | "O" ring | | |
| 21 | 1 | "O" ring | | |
|
16.5 Stuklijst koelwaterregelklep
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Klephuis | | |
| 2 | 1 | Hydraulische bedieningscilinder | | |
| 3 | 1 | Tussenstuk | | |
| 4 | 1 | Klepstang | | |
| 5 | 1 | Stelmoer | | |
| 6 | 1 | Borgmoer | | |
| 7 | 1 | Afdricht "O" ring | | |
| 8 | 1 | Loctite afdichting (borgring) | | |
|
16.6 Stuklijst 5/2 ventiel
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Aansluitnippel | | |
| 2 | 1 | Schuif | | |
| 3 | 1 | Ventielhuis | | |
| 4 | 1 | Drukveer | | |
| 5 | 1 | Afdichtingring | | |
| 6 | 1 | Aansluitnippel | | |
|
16.7 Stuklijst oliereservoir
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 2 | Veerring | | |
| 2 | 2 | Bevestigingsbout | | |
| 3 | 1 | Afsluitdop | | |
| 4 | 1 | Pakking | | |
| 5 | 1 | Filterelement | | |
| 6 | 1 | Injectorpijp | | |
| 7 | 1 | Pakkingring | | |
| 8 | 1 | Aftapplug | | |
|
16.8 Stuklijst hydropomp met verstelbaar slagvolume
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Drijfwerk | | |
| 2 | 1 | Verstelinrichting | | |
| 3 | 1 | Stuurplaat met bus | | |
| 5 | 1 | Pomphuis | | |
| 7 | 1 | Diafragma flens | | |
| 8 | 1 | Diafragma plaat | | |
| 9 | 1 | Leiding | | |
| 10 | 2 | Afstandpijp | | |
| 12 | 1 | Wartelmoer | | |
| 13 | 1 | "O" ring | | |
| 14 | 1 | Borgring | | |
| 15 | 4 | Bout | | |
| 16 | 4 | Veerring | | |
|
16.9 Stuklijst hydropomp
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Aangedreven as | | |
| 2 | 1 | Cilinder | | |
| 3 | 1 | Centreertap | | |
| 4 | 7 | Zuiger met koppelstang | | |
| 6 | 1 | Veerschotel | | |
| 9 | 1 | Slagplaat | | |
| 12 | 1 | Veerschotel | | |
| 14 | 1 | Schotelveer | | |
| 16 | 1 | Afstandbus | | |
| 17 | 1 | Afsluitring | | |
| 20 | 1 | Ring | | |
| 21 | 2 | Schotelveer | | |
| 22 | 1 | Borgring | | |
| 23 | 1 | Borgring | | |
| 26 | 1 | "O" ring | | |
| 27 | 1 | Simmering | | |
| 28 | 1 | Eenrijig groefkogellager | | |
| 29 | 2 | Eenrijig hoekcontactlager | | |
| 30 | 14 | Schroef | | |
| 33 | 1 | Spie | | |
| 34 | 2 | Vulring | | |
| 35 | 1 | Vulring | | |
| 36 | 1 | Vulring | | |
| 37 | 1 | Vulring | | |
| 38 | 1 | Vulring | | |
|
16.10 Stuklijst verstelinrichting hydropomp
|
|
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Deksel | | |
| 2 | 1 | Zuigerbus | | |
| 3 | 1 | Servo zuiger | | |
| 4 | 1 | Veerschotel | | |
| 5 | 1 | Drukveer | | |
| 7 | 1 | Geleidebus | | |
| 10 | 1 | "O" ring | | |
| 11 | 1 | "O" ring | | |
| 12 | 1 | "O" ring | | |
| 13 | | Afdichtring | | |
| 14 | | Afdichtring | | |
| 15 | 4 | Bevestigingsschroef | | |
| 16 | 1 | Afsluitplug | | |
| 18 | 1 | Wartelmoer | | |
| 19 | 1 | Afsluitplug | | |
| 20 | 4 | Veerring | | |
|
16.11 Stuklijst verstelinrichting hydropomp
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Stuureenheid compleet | | |
| 3 | 1 | Aansluitplaat | | |
| 4 | 1 | Verstelzuiger | | |
| 5 | 1 | Versteltap | | |
| 6 | 1 | Instelbout | | |
| 8 | 1 | Borgmoer | | |
| 9 | 1 | Veerschotel | | |
| 10 | 1 | Pakking | | |
| 14 | 8 | Verbindingsschroeven | | |
| 15 | 1 | Stelbout hoekbegrenzing | | |
| 16 | 1 | Borgstift | | |
| 17 | 1 | Afdichtplug | | |
| 18 | 2 | Afdichtplug | | |
| 19 | 1 | Borgmoer | | |
| 20 | 8 | Veerring | | |
| 23 | 1 | Afdichtplug | | |
| 24 | 2 | Afdichtplug | | |
| 25 | 2 | Paspen | | |
|
16.12 Stuklijst hydropomp/motor
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Cilinder | | |
| 4 | 1 | Huis | | |
| 5 | 1 | Aansluitplaat | | |
| 7 | 1 | "O" ring | | |
| 8 | 6 | Bevestigingsbout (inwendig zeskant) | | |
| 9 | 6 | Veerring | | |
|
16.13 Stuklijst hydropomp/motor
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Aandrijfas | | |
| 2 | 1 | Cilinder | | |
| 3 | 1 | Centreertap | | |
| 4 | 7 | Zuiger met kogelstang | | |
| 9 | 1 | Slagplaat | | |
| 12 | 1 | Veerschotel | | |
| 14 | 4 | Schotelveerring | | |
| 16 | 1 | Vulring tussen de lagers | | |
| 17 | 1 | Opsluitring | | |
| 19 | 1 | Stuurplaat | | |
| 20 | 1 | Seegerring | | |
| 22 | 1 | Binnenborgring (R.V.S.) | | |
| 23 | 1 | Buitenborgring | | |
| 26 | 1 | "O" ring | | |
| 27 | 1 | Asafdichtring | | |
| 28 | 1 | Eenrijig groefkogellager | | |
| 29 | 2 | Eenrijig hoekcontactlager (tandemopstelling) | | |
| 30 | 7 | Bevestigingsbout | | |
| 32 | 1 | Tap | | |
| 33 | 1 | Spie | | |
| 34 | 1 | Opvulring | | |
| 35 | 1 | Opvulring | | |
| 36 | 1 | Opvulring | | |
| 37 | 1 | Opvulring | | |
|
16.14 Stuklijst stuurschuif
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 4 | Inbusbout | | |
| 2 | 4 | Veerring | | |
| 3 | 1 | Deksel | | |
| 4 | 1 | Bus voor oliedoorvoer | | |
| 5 | 1 | "O" ring | | |
| 6 | 1 | Draadafdichtingsring tevens borgring | | |
| 7 | 1 | Zuigerbodem | | |
| 8 | 1 | Zuiger | | |
| 9 | 1 | Kegelklep | | |
| 10 | 1 | Drukveer | | |
| 11 | 1 | Drukveer | | |
| 12 | 2 | "O" ring | | |
| 13 | 1 | Klephuis | | |
| 14 | 1 | Borgring | | |
| 15 | 1 | Smoring | | |
| 16 | 1 | "O" ring | | |
| 17 | 1 | Afsluitplug | | |
| 18 | 2 | "O" ring | | |
| 19 | 1 | Afsluitplug | | |
| 20 | 1 | Zuiger | | |
| 21 | 1 | Drukveer | | |
| 22 | 1 | Seegerring | | |
| 23 | 1 | Smoring | | |
| 24 | 1 | Stuurschuifhuis | | |
| 25 | 1 | Draadstift | | |
| 26 | 1 | Veerbus | | |
| 27 | 1 | "O" ring | | |
| 28 | 1 | Pakking | | |
| 29 | 1 | Drukveer | | |
|
16.15 Stuklijst 3/2 ventiel (elektro-magnetisch)
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Ventiel compleet | | |
| 2 | 1 | Weekijzeren kern | | |
|
16.16 Stuklijst drukbegrenzingsventiel
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Klepgeleidehuis | | |
| 2 | 1 | Afdichtschijf | | |
| 3 | 1 | Pakkingring | | |
| 5 | 1 | Veer | | |
| 6 | 1 | Pakkingring | | |
| 7 | 1 | Instelbout | | |
| 8 | 2 | Vulschijf | | |
| 9 | 2 | Vulschijf | | |
| 10 | 1 | Borgmoer | | |
| 11 | 1 | Ring | | |
| 12 | 1 | Borgschijf | | |
| 13 | 1 | Afdichtkap | | |
| 18 | 1 | Veerschotel | | |
|
16.17 Stuklijst vulreservoir hydrostatisch circuit
|
|
| Nr. | Aantal | Omschrijving | Codenr. | Fabrieksnr. |
| 1 | 1 | Huis | | |
| 2 | 1 | Deksel/montagesteun | | |
| 3 | 1 | Bodem | | |
| 4 | 1 | Versterking | | |
| 5 | 1 | Aansluitnippel | | |
| 6 | 1 | Nippel | | |
| 7 | 1 | Draadbus | | |
| 8 | 1 | Snelkoppeling | | |
| 9 | 1 | Stofkap | | |
| 10 | 1 | Peilglas | | |
| 11 | 1 | Ontluchtingsfilter | | |
| 12 | 1 | Pakkingring | | |
|
Deze bladzijde is het laatst gewijzigd op 18 februari 2020